Belasting op drijfkracht motoren

De belasting op de drijfkracht van motoren is een belasting op nijverheids-, handels- en landbouwbedrijven en bedraagt 19,83 euro per kilowatt per motor. De eerste vijf kilowatt zijn vrijgesteld van belasting.

De belasting is goedgekeurd door de gemeenteraad op 16 december 2013 en gepubliceerd op deze website op 2 januari 2014.

Artikel 1

Met ingang van 1 januari 2014 en voor een termijn eindigend op 31 december 2019, wordt voor de gemeente ten bezware van nijverheids-, handels- en landbouwbedrijven een belasting van 19,83 euro per kilowatt geheven op de motoren, ongeacht de krachtbron waarmee zij voortbewogen worden.

Artikel 2

De belasting is verschuldigd door degene die gedurende het aanslagjaar motoren voor de uitbating van zijn inrichting of dezer bijgebouwen gebruikt.

Dienen als bijgebouw van een inrichting beschouwd, elke instelling of onderneming of elke werf van om het even welke aard, die gedurende een ononderbroken tijdvak van minstens drie maanden op het grondgebied van de gemeente gevestigd is.

De belasting is niet verschuldigd aan de gemeente, zetel van de inrichting, voor de motoren gebruikt in hierboven bedoelde bijgebouwen, in verhouding waarin de motoren kunnen belast worden door de gemeente waar het gebouw gelegen is.

Wanneer hetzij een inrichting, hetzij een hierboven bedoeld bijgebouw, geregeld en duurzaam een motor gebruikt voor de verbinding van één of meer bijgebouwen of een verbinding met een verkeersweg, is daarvoor de belasting verschuldigd in de gemeente waar hetzij de inrichting, hetzij het hoofdgebouw gevestigd is.

Artikel 3

De belasting wordt berekend op grond van het aantal motoren en/of het hiermede overeenstemmende aangewend vermogen van het onmiddellijk voorafgaand kalenderjaar.

Artikel 4

In afwijking van artikel 3 zal bij begin van bedrijfsuitbating in de loop van het aanslagjaar, alsmede in geval van aanwending van drijfkrachtvermogen in de bij artikel 2 bedoelde bijgebouwen, de belasting berekend worden volgens de duur van de ingebruikneming van motoren in de loop van het aanslagjaar, naar rato van 1/12 van het jaartarief per maand; elke begonnen maand wordt als een volle maand aangerekend.

Bij een eerste inwerkingstelling van een bedrijf wordt de aanslag voorlopig berekend op basis van het bij toepassing van onderhavig reglement in aanmerking te nemen motorvermogen dat in gebruik is op het ogenblik van de aangifte.

Indien echter op het einde van het aanslagjaar blijkt dat het in de loop van dat jaar aangewend belastbaar vermogen hoger was, zal op grond hiervan een herberekening van de totaal verschuldigde belasting gebeuren.

Een zelfde werkwijze zal gevolgd worden ten aanzien van de motoren gebezigd in de bijgebouwen waarvan sprake in artikel 2.

Artikel 5

Zijn belastingvrij:

  • de eerste vijf kilowatt
  • de motoren die gans het jaar voorafgaand aan het belastingjaar stilliggen. Het stilliggen voor een duur gelijk of langer dan een maand geeft aanleiding tot een belastingvermindering in verhouding tot het aantal maanden gedurende dewelke de motoren stilgelegd werden.

Geen belastingvermindering kan verleend worden, tenzij op ter post aangetekende of tegen ontvangstbewijs afgegeven berichten, waarbij de datum van het stilleggen en de datum van het weer in gang stellen van de motor bekendgemaakt wordt aan het gemeentebestuur.

Komt evenwel niet in aanmerking voor de berekening van de belastingvermindering de periode van één maand wegens het sluiten van het bedrijf voor de jaarlijkse vakantie.

Voor de berekening van de belastingvermindering gaat de stillegging eerst in na ontvangst van het eerste bericht.

Met inactiviteit voor een duur van één maand wordt gelijkgesteld de activiteit die beperkt is tot een dag werk op vier weken in de bedrijven die met de RVA een akkoord hebben aangegaan inzake de activiteitvermindering om een massaal ontslag van personeel te voorkomen.

Met inactiviteit voor een duur van één maand wordt eveneens gelijkgesteld de inactiviteit gedurende een periode van vier weken, gevolgd door een activiteitsperiode van één week, als het gebrek te wijten is aan economische oorzaken.

  • de voertuigen waarop staatsverkeersbelasting toepasselijk is, alsmede deze welke speciaal van die belasting zijn vrijgesteld.
  • de motor die een elektrische generator aandrijft, voor het gedeelte van het vermogen dat gebruikt wordt voor het aandrijven van de generator.
  • de persluchtpomp
  • de motoren gebruikt voor waterbemaling, alsmede deze gebruikt voor ventilatie en verlichtingstoestellen.
  • de motoren van draagbare toestellen.
  • de reservemotor, d.w.z. deze waarvan de werking niet onmisbaar is voor de goede gang van zaken en die slechts werkt in uitzonderingsgevallen, voor zover zijn inwerkingstelling niet voor gevolg heeft dat de productie verhoogd wordt.
  • de wisselmotoren, d.w.z. deze die uitsluitend bestemd zijn voor hetzelfde werk als anderen, welke zij tijdelijk moeten vervangen. De reserve- en wisselmotoren kunnen aangewend worden om tezelfdertijd te werken als deze die normaal gebruikt worden gedurende de nodige tijd om de voortzetting van de productie te verzekeren.
  • de motoren die in gasstations gebruikt worden om de compressoren aan te drijven, welke instaan voor het drukregime in de vervoerleidingen. In afwijking van de in vorige paragrafen voorziene procedure zal de vrijstelling ten voordele van de bouwondernemingen, die verplaatsbare motoren gebruiken volgens de hierna vermelde regelen kunnen bekomen worden.

Deze ondernemingen zullen, voor iedere aan de belasting onderworpen machine, een boekje bijhouden, waarin de dagen worden vermeld gedurende dewelke de machine in gebruik is en de werf waar zij is opgesteld.

Aan het einde van het jaar, zal de ondernemer zijn aangifte invullen aan de hand van de in elk boekje voorkomende gegevens, met dien verstande dat er voor de gegrondheid van de in de boekjes ingeschreven gegevens steeds fiscaal toezicht kon worden uitgeoefend. Deze procedure is echter voorbehouden aan de bouwondernemingen, die een geregelde boekhouding voeren, die een schriftelijke aanvraag tot het schepencollege zullen richten en de toelating van dat college zullen bekomen hebben.

Artikel 6

Levert een onlangs geplaatste motor niet dadelijk het normaal rendement op omdat de daarmee aan te drijven installatie onvolledig is, dan wordt de niet gebruikte kracht aangezien als reservekracht, in zover zij 20 % van de in het vergunningsbesluit opgegeven kracht overtreft. In dat geval is de aangegeven kracht slechts geldig voor drie maanden, en moet de aangifte om het kwartaal vernieuwd worden zolang deze uitzonderingstoestand duurt. Onder onlangs geplaatste motoren wordt verstaan, deze waarvan de ingebruikstelling dateert van het voorgaande of van het voorlaatste jaar.

Artikel 7

Wanneer de motoren uit oorzaak van een ongeval niet meer in staat zijn om meer dan 80 % van de geleverde kracht te gebruiken, wordt de belasting berekend op de verbruikte kracht, op voorwaarde dat de gedeeltelijke activiteit minstens drie maanden duurt, en dat de beschikbare kracht niet voor andere doeleinden gebruikt wordt. De gedeeltelijke buitengebruikstelling moet binnen de acht dagen bericht worden aan het gemeentebestuur bij aangetekend schrijven of schriftelijk tegen ontvangstbewijs.

Artikel 7bis

Wanneer de installaties van een nijverheidsbedrijf voorzien zijn van meetapparaten voor het maximumvermogen, waarvan de opmetingen maandelijks door de leverancier van elektrische energie worden gedaan met het oog op het factureren ervan en bijaldien dat bedrijf belast werd op grond van het bepaalde in de artikelen 1 tot 7 gedurende een periode van tenminste twee jaar, wordt het bedrag der belastingen betreffende de volgende dienstjaren op verzoek van de exploitant vastgesteld op basis van een belastbaar vermogen, bepaald in functie van de variante, van het ene tot het andere jaar, van het rekenkundig gemiddelde der maandelijkse maximumkwartuurvermogens. Daartoe berekent het bestuur de verhouding tussen het vermogen dat het jaar voorafgaand aan het belastingjaar op grond van het bepaalde in de artikelen 1 tot 7 aangeslagen werd en het rekenkundig gemiddelde der twaalf maandelijkse maximumkwartuurvermogens opgenomen tijdens datzelfde jaar; deze verhouding wordt "verhoudingsfactor" genoemd. Vervolgens wordt het belastbaar vermogen elk jaar berekend door vermenigvuldiging van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maximumkwartuurvermogens van het jaar met de verhoudingsfactor.

De waarde van de verhoudingsfactor wordt niet gewijzigd zolang het rekenkundig gemiddelde van de maximumkwartuurvermogens van een jaar niet meer dan 20 % verschilt van dit van het refertejaar d.w.z. van het jaar dat in aanmerking werd genomen voor de berekening van de verhoudingsfactor.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % dan telt het bestuur de belastbare elementen teneinde een nieuwe verhoudingsfactor te berekenen.

Om het voordeel van de bepalingen van dit artikel te genieten, moet de exploitant, voor 31 januari van het belastingjaar een schriftelijke aanvraag bij het gemeentebestuur indienen met opgave van de maandelijkse waarden van het maximumkwartuurvermogen, welke in zijn installaties werden opgenomen tijdens het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan hij om de toepassing van deze bepaling verzoekt; hij moet er zich voorts toe verbinden bij zijn jaarlijkse aangifte de opgave der maandelijkse waarden van het maximumkwartuurvermogen van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar te voegen en het bestuur toe te laten te allen tijde de in zijn installatie gedane metingen van het maximumkwartuurvermogen, vermeld op de facturen voor de levering van elektrische energie, te controleren. De exploitant, die deze wijze van aangifte, controle en aanslag kiest, verbindt zich door zijn keuze voor een tijdvak van 5 jaar.

Behoudens verzet van de exploitant of van het bestuur bij het verstrijken van het optietijdvak, wordt dit stilzwijgend verlengd voor een nieuw tijdvak van 5 jaar.

Artikel 7ter A

Aan nieuw opgerichte nijverheids-, handels- en landbouwbedrijven wordt teruggave van belasting verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • opgericht zijn:
    voor het aanslagjaar 2014 na 1 januari 2013
    voor het aanslagjaar 2015 na 1 januari 2014
    voor het aanslagjaar 2016 na 1 januari 2015
    voor het aanslagjaar 2017 na 1 januari 2016
    voor het aanslagjaar 2018 na 1 januari 2017
    voor het aanslagjaar 2019 na 1 januari 2018
  • in de loop van het aanslagjaar, resp. in de loop van het kalenderjaar voorafgaand aan het aanslagjaar (voor bedrijven in werking op respectievelijk 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2018), een bezoldigingbedrag aan in België gedomicilieerde werknemers vereffend hebben, overeenstemmende met tenminste 200 werkdagen, of hiermee gelijkgestelde dagen
  • binnen de twee maanden na het verloop van het aanslagjaar of binnen de termijn gesteld voor het indienen van een bezwaarschrift een verzoek tot teruggave van belasting te doen bij het schepencollege en de nodige bewijzen voor te leggen.

Van deze teruggave kan niet genoten worden:

  • door bedrijven die zich binnen het grondgebied van de gemeente verplaatsen;
  • wanneer een bedrijf gesticht wordt door wijziging, samenvoeging of splitsing, juridisch of hoe dan ook van bestaande bedrijven in de gemeente. Inzake landbouwbedrijven evenwel is de splitsing geen reden tot uitsluiting van de teruggave, indien aan de andere voorwaarden is voldaan.

Artikel 7ter B

Bij uitbreiding van een bedrijf, dat zich openbaart door vermeerdering van het personeelseffectief en het drijfkrachtvermogen, wordt eveneens teruggave van belasting verleend berekend op de wegens uitbreiding vermeerderde motorkracht, onder de volgende voorwaarden:

  • in de loop van het aanslagjaar, resp. in de loop van het kalenderjaar voorafgaand aan het aanslagjaar (voor bedrijven in werking op respectievelijk 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2018), een bezoldigingsbedrag aan in België gedomicilieerde werknemers vereffend hebben, overeenstemmende met het aantal werkdagen dat ten minste 5 % hoger ligt dan dat van het aan de uitbreiding voorafgaande kalenderjaar.
  • binnen de twee maanden na verloop van het aanslagjaar of binnen de termijn die gesteld is voor het indienen van een bezwaarschrift een verzoek tot teruggave van belasting te doen bij het schepencollege en de nodige bewijzen voor te leggen.

Van deze teruggave kan niet genoten worden wanneer de uitbreiding enkel het gevolg is van inbreng of opslorping van de in de gemeente bestaande bedrijven.

Het genot van deze fiscale voordelen wordt slechts verleend gedurende drie opeenvolgende jaren.

Artikel 8

De belastbare elementen worden geteld door het gemeentebestuur.

Het ontvangt van de betrokkenen een ondertekende verklaring, volgens het model en binnen de termijn vastgesteld door het college. De betrokkenen die geen formulier van aangifte zouden ontvangen hebben, zijn niettemin verplicht spontaan aan het gemeentebestuur de elementen te verstrekken die nodig zijn voor de toepassing van de belasting.

De belastingplichtige is ertoe gehouden eventuele veranderingen of verplaatsingen welke zijn installatie in de loop van het jaar mocht ondergaan hebben, aan het college kenbaar te maken, binnen een termijn van één maand, behoudens wanneer hij op geldige wijze de regeling bedoeld in artikel 7-bis heeft gekozen.

Artikel 9

Bij gebrek aan aangifte binnen de door het college gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve gevestigd worden op basis van de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt.

Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college de belastingplichtige met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de belasting is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De belasting mag niet worden gevestigd voor die termijn verstreken is, behoudens als de rechten van de gemeentelijke thesaurie in gevaar verkeren als gevolg van een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijnen.

Ambtshalve belastingen kunnen geldig worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar. Die termijn van drie jaar wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen.

Als de belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.

Artikel 10

Op de ambtshalve ingekohierde belasting zal een belastingverhoging als volgt worden toegepast:

  • 50 % van de verschuldigde belasting bij een eerste overtreding
  • 100 % van de verschuldigde belasting vanaf de tweede en volgende overtreding.

Het bedrag van die belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.

De overtredingen worden vastgesteld door de bevoegde personeelsleden daartoe speciaal door het college aangesteld.

Artikel 11

De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.

Artikel 12

De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen terzake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.

Artikel 13

Deze verordening wordt als definitief aanzien indien tijdens het onderzoek de commodo et incommodo geen bezwaren worden ingediend.

Zie ook

Meer info

dienst financiën gemeentehuis
financiele.dienst@westerlo.be
014 53 91 80