Algemeen politiereglement over brandveiligheid in publieke gebouwen en plaatsen

Het algemeen politiereglement over brandveiligheid in publieke gebouwen en plaatsen maakt deel uit van het algemeen politiereglement. Dat werd goedgekeurd door de gemeenteraad op 15 januari 1990 en voor de laatste keer gewijzigd op 20 november 2017.

Algemeen politiereglement over brandveiligheid in publieke gebouwen en plaatsen

Artikel 144§1 Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op alle gebouwen, lokalen of plaatsen, waar het publiek kosteloos, tegen betaling of op vertoon van een lidkaart toegang heeft, en waar 50 personen of meer kunnen aanwezig zijn, met uitzondering van de dancings en lokalen waar gedanst wordt. Deze gebouwen, lokalen of plaatsen worden hierna aangeduid met de term “de instelling”.

Artikel 144§2

In handelsinrichtingen die niet opgenomen zijn in de lijst van de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen wordt het maximum toegelaten aanwezigen als volgt bepaald:

  • ondergrondse verdiepingen: 1 persoon per 6 vierkante meter totale oppervlakte
  • gelijkvloerse verdiepingen 1 persoon per 3 vierkante meter totale oppervlakte
  • bovenverdiepingen: 1 persoon per 4 vierkante meter totale oppervlakte

In café’s, restaurants, bars, verbruikssalons, vergaderzalen, conferentiezalen en feestzalen, gebouwen voor de eredienst en soortgelijke instellingen wordt het maximum toegelaten aanwezigen bepaald op één persoon per vierkante meter totale oppervlakte van de instelling.

In zalen voor schouwspelen en andere, waar vaste zetels zijn aangebracht, is het maximum aantal aanwezigen gelijk aan het aantal zitplaatsen.

Wanneer het aantal toegelaten aanwezigen niet op een afdoende wijze kan worden bepaald, overeenkomstig de in voorgaande leden gestelde criteria, wordt dit aantal vastgesteld door de exploitant, op eigen verantwoordelijkheid.

In elk geval moet het maximaal toegelaten aanwezigen, berekend volgens dit artikel en artikel 149 §2, in het veiligheidsregister dat in iedere instelling voorhanden moet zijn, vermeld worden. Het moet tevens worden aangeduid op een bordje, dat duidelijk leesbaar en voor iedereen zichtbaar, door de zorgen van de uitbater in de instelling wordt aangebracht.

Artikel 144§3

Behoudens uitdrukkelijke afwijking wordt aan de in deze verordening gebruikte termen, zoals weerstand tegen brand, niet-brandbaarheid, ontvlambaarheid en voortplantingssnelheid van de vlammen, de betekenis toegekend die eraan wordt gegeven in de NBN 713.010 (Koninklijk Besluit van 4 april 1972 en Staatsblad 22 december 1992). De bepaling van de graad van weerstand tegen brand geschiedt overeenkomstig de NBN 713.020.

Artikel 145§1 Weerstand tegen brand, brandbaarheid, ontvlambaarheid en voortplantingssnelheid van de vlammen

Een weerstand tegen brand van tenminste 1 uur is vereist voor de volgende bouwelementen:

  • dragende elementen van het gebouw, inzonderheid de muren, kolommen, balken en vloeren
  • de bouwelementen die de trapzalen vormen
  • trappen, die bovendien moeten vervaardigd zijn uit metselwerk beton of andere niet brandbare bouwmaterialen
  • muren, vloeren en plafonds van de stookplaatsen van de lokalen waar zich hetzij de brandstofvoorraad hetzij de teller van de gasleiding bevindt. Deze lokalen zullen afgesloten zijn met een zelfsluitende en rookdichte deur, met eveneens een weerstand tegen brand van 1 uur

Artikel 145§2

Een weerstand tegen brand van tenminste een half uur is vereist voor volgende bouwelementen:

  • niet dragende muren en wanden
  • wanden en al de bijhorigheden van kokers, zoals onder meer de kokers voor leidingen en de huisvuilstortkokers
  • deuren, die verbinding geven tussen de wel en de niet voor het publiek toegankelijke lokalen

Artikel 146§1

De gewone plafonds zowel als de valse plafonds en hun ophangingelementen moeten:

  • bij brand een stabiliteit van tenminste een half uur bezitten
  • vervaardigd zijn uit of bekleed zijn met een materiaal dat niet-brandbaar is

Artikel 146§2

Voor de vast bevestigde bekledingen ongeacht of ze als thermische of geluidsisolatie, als versiering of met enig ander doel worden gebruikt, gelden volgende voorschriften:

  • de aan verticale wanden van de instelling bevestigde bekledingen evenals de bekledingen en het opvulsel van vaste zitplaatsen hebben een oppervlakte met trage vlamvoortplantingssnelheid
  • bouwmaterialen & versieringen

Gemakkelijk brandbare materialen als rietmatten, stro, karton, boomschors, papier alsmede gemakkelijk brandbare textiel en kunststoffen, mogen noch als versiering noch als bouwmateriaal voor wanden en (valse) plafonds aangewend worden. 

Onder “versieringen” dient niet verstaan de normale, functioneerstoffering (gordijnen en overgordijnen aan raam, vaste muurbekledingen, tafellinnen, vloerbedekking en dergelijke).

De vloerbedekkingen hebben een gemiddelde vlamvoortplantingssnelheid.

De bekledingen worden op zulkdanige wijze aangebracht dat de mogelijkheid niet bestaat dat stof of afval zich achter de bekleding ophoopt of dat erachter tocht ontstaat.

Artikel 146§3

De niet vast bevestigde bekledingen, de losse versieringen en het meubilair moeten uit moeilijk ontvlambare stoffen vervaardigd zijn . Velums en andere horizontaal aangebrachte doeken zijn verboden. Verticaal hangende doeken mogen geen deur of uitgang aan het gezicht onttrekken of het gebruik ervan bemoeilijken.

Artikel 146§4

Alle in dit artikel bedoelde materialen, evenals alle gebruikte stoffen mogen slechts een rookontwikkeling beneden het capaciteitscijfer 30 scheppen. Op dat stuk moeten ze stroken met de bepalingen van de NBN 713.030, zodra die zal zijn vastgesteld.

Artikel 146§5

Een attest, af te geven door een door het gemeentebestuur erkende controle-instelling, moet aan de burgemeester of zijn afgevaardigde op diens verzoek worden voorgelegd ter staving van de verklaring dat aan de eisen van dit artikel, evenals aan die van artikel 145 is voldaan.

Artikel 147 Ventilatie en rookafvoer

Een aangepast, natuurlijk en permanent functionerend ventilatiesysteem moet een behoorlijke luchtverversing in de voor het publiek toegankelijke lokalen waarborgen. De doorsnede van de luchtafvoerkanalen moet in verhouding staan tot de omvang van het lokaal en het maximum toegelaten aantal aanwezigen.

Artikel 148

De nodige schikkingen moeten worden genomen opdat in geval van brand en rook zo snel mogelijk uit de instelling verdwijnt. De burgemeester kan in voorkomend geval het aanbrengen van ventilatieluiken en rookafvoerkanalen opleggen.


Artikel 149§1 Uitgangen en ontruiming algemeen

De trappen, gangen en deuren, evenals de wegen die er naar toe leiden, hierna met de term “uitgang” aangeduid, moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de aanwezigen mogelijk maken.

Alle uitgangen moeten uiteindelijk op de openbare weg uitgeven.

Instellingen of gedeelten van instellingen waar meer dan honderd personen aanwezig mogen zijn, moeten over tenminste twee gescheiden uitgangen beschikken.

Drie gescheiden uitgangen zijn vereist voor instellingen met een capaciteit van vijfhonderd personen of meer. Deze tweede en/of derde uitgang mag als “nooduitgang” worden aangeduid.

Artikel 149§2 Uitgangen en ontruiming. Breedte uitgangen

De uitgangswegen en -deuren moeten in totaal een vrije breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan het maximum aantal in de instelling toegelaten personen, bepaald overeenkomstig artikel 144§2.

Elke uitgang moet evenwel een minimum vrije breedte van tachtig centimeter hebben.

Wanneer in bestaande gebouwen de uitgangen onvoldoende breed zijn en het onmogelijk is ze te verbreden, moet het volgens artikel 144§2 bepaalde maximum aantal personen worden verminderd tot wanneer aan het in voorgaande lid vermelde criterium is voldaan.

Het is verboden om het even welke voorwerpen, die de doorgang kunnen belemmeren of de vrije breedte kunnen verminderen, in de uitgangen te plaatsen of te laten plaatsen.

Artikel 149§3 Uitgangen en ontruiming. Aantal trappen

Wanneer de instelling in bovenverdiepingen of in kelderverdiepingen voor het publiek toegankelijke lokalen bevat, moeten deze door vaste trappen worden bediend, zelfs wanneer er andere toegangsmiddelen zoals liften aanwezig zijn.

Verdiepingen waar honderd of meer personen mogen vertoeven, moeten over tenminste twee afzonderlijke trappen beschikken.

Verdiepingen waar honderd of meer personen mogen vertoeven, moeten over tenminste drie afzonderlijke trappen beschikken.

Roltrappen, draaitrappen en spiltrappen evenals hellende vlakken met een helling van meer dan 10 % komen niet in aanmerking om aan de eisen van dit artikel te voldoen.

Artikel 149§4 Uitgangen en ontruiming. Voorschriften voor trappen

De trappen moeten uit rechte delen bestaan. De treden moeten slipvrij zijn. De helling van de trappen mag niet meer dan 37 graden bedragen.

De trappen moeten in totaal tenminste een vrije breedte hebben, die in centimeters gemeten, gelijk is aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de inrichting te verlaten, vermenigvuldigd met 1,25 voor de dalende en met 2 voor de stijgende trappen.

De minimum vrije breedte van iedere trap is tachtig centimeter.

Roltrappen moeten aan ieder uiteinde kunnen worden stilgelegd.

Artikel 149§5 Uitgangen en ontruiming. Winkelinrichting

In winkels, bazars en soortgelijke instellingen moeten de verkoops- en uitstalstanden stevig aan de grond bevestigd worden en geen hinder vormen voor een vlot doorlopen van het publiek.

Het is verboden tussen de verkoopsstanden of tegen de boord ervan waren op te stapelen die een vlotte evacuatie in gevaar kunnen brengen of vertragen.

De aankoopwagentjes, die ter beschikking van de klanten kunnen worden gesteld, moeten zo geplaatst worden dat ze een snelle ontruiming van de instelling niet verhinderen.

Artikel 149§6 Uitgangen en ontruiming. Deuren

De deuren moeten ofwel in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.

Draaideuren en draaipaaltjes zijn als uitgang niet toegelaten.

De vleugels van glazen deuren moeten een merkteken dragen dat volstaat om zich rekenschap te geven van hun aanwezigheid.

Elke deur met automatische sluitinrichting die niet gemakkelijk met de hand kan worden geopend, moet uitgerust zijn met een veiligheidsapparaat dat de deur automatisch op volle breedte opent wanneer de energiebron, die de deur in werking stelt, uitvalt.
Automatische schuifdeuren zijn slechts toegelaten voor uitgangen die rechtstreeks naar buiten uitgeven.

Deze bepaling geldt niet voor branddeuren en liftdeuren.

Artikel 149§7  Uitgangen en ontruiming. Aanduidingen

Iedere uitgang of nooduitgang moet aangeduid zijn door pictogrammen. Deze opschriften moeten groen zijn op een witte achtergrond of wit op een groene achtergrond. Zij moeten vanuit alle delen van de instelling goed zichtbaar zijn.

De verlichting van deze aanduidingen is aangesloten op de normale verlichting en op de noodverlichting.

Deuren die niet aan een uitgang leiden, moeten een duidelijke vermelding “geen uitgang” dragen.

De pictogrammen of reddingstekens zijn:...

Artikel 150 Verlichting en elektrische installaties

De lokalen moeten verlicht zijn. Alleen elektriciteit is toegelaten als algemene kunstmatige verlichtingsbron.

Artikel 151

Onverminderd de toepassing van artikel 63 bis van het ARBA moet in de instellingen met een capaciteit van vijftig aanwezigen of meer in alle voor het publiek toegankelijke gedeelten evenals in de uitgangen en nooduitgangen een noodverlichting worden aangebracht die een voldoende lichtsterkte heeft om een veilige ontruiming te verzekeren, met een minimum van twee lux. Deze noodverlichting moet automatisch en onmiddellijk in werking treden bij het uitvallen, door welke oorzaak ook, van de netverlichting. Ze moet tenminste 1 uur blijven functioneren.

Artikel 152 Verwarming en brandstof

In verband met de verwarmingsinstallatie zullen alle nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen om oververhitting, ontploffing, brand, verstikking en andere ongevallen te voorkomen.

Artikel 153

De niet op elektriciteit werkende verwarmingstoestellen moet aangesloten zijn op een schoorsteen. Ze mogen niet verplaatsbaar zijn.

Artikel 154

Wanneer vloeibare brandstof wordt gebruikt, moeten de stookplaats van de centrale verwarming en de brandstofvoorraad elk in een afzonderlijke daartoe bestemd, goed verlucht lokaal worden geïnstalleerd dat niet rechtstreeks in de voor het publiek toegankelijke gedeelten van de instelling uitgeeft.

De vloer onder de brandstoftanks moet in kuipvorm worden aangelegd, derwijze dat bij lek de hele brandstofvoorraad erin kan worden opgevangen De deuren van deze lokalen, die moeten voldoen aan de in artikel 145 §1 gestelde eisen, mogen niet voorzien zijn van een toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.

Artikel 155

De toevoerleiding tussen brandstoftank en brander en de terugloopleiding moeten, wat de op vloeibare brandstof werkende verwarmingsinstallaties betreft, stevig bevestigd en uit metaal vervaardigd zijn.

Op deze leiding moeten afsluitkranen geplaatst worden op een veilige en gemakkelijk bereikbare plaats, gelegen buiten de stookplaats en buiten de plaats waar zich de brandstofvoorraad bevindt, doch wel in de onmiddellijke omgeving ervan. Op de terugloopleiding moet bovendien een terugslagklep worden aangebracht. De nodige schikkingen moeten worden genomen om iedere gevaar voor hevelwerking bij leidingbreuk te voorkomen.

Artikel 156

Voor de met gas verwarmde toestellen zal buiten het gebouw, op de gastoevoerleiding een afsluitkraan worden geplaatst, wat op de voorgevel wordt gesignaleerd met de letter “G”. De gasmeter moet in een uitsluitend daarvoor dienend en goed verlucht lokaal worden aangebracht.

Artikel 157

Voor flessengas gelden volgende voorschriften:

  • in een kelderverdieping mogen flessen worden geplaatst
  • niet-gebruikte flessen moeten ofwel in de open lucht ofwel in een daartoe bestemd behoorlijk verlucht lokaal worden ondergebracht

Artikel 158

De instelling zal voorzien zijn van brandblusmiddelen, aangepast aan de belangrijkheid en de aard van het voorhanden zijnde risico. Deze uitrusting moet vastgesteld worden in akkoord met de bevoegde brandweerdienst. In ieder geval zal er tenminste 1 blustoestel aanwezig zijn, met een capaciteit van 6 kg polyvalent poeder.

Artikel 159

Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden worden, beschermd tegen de vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig over de lokalen verdeeld. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gebracht worden.

Artikel 160

Binnen de lokalen is het gebruik verboden van blustoestellen met broommethyl, tetrachloorkoolstof of alle andere producten waardoor giftige uitwasemingen kunnen ontstaan.

Artikel 161

Bij het begin van brand moet het personeel door middel van een bijzonder signaal gewaarschuwd worden. Onverminderd de eis van artikel 52.10 van het ARAB moet er bovendien in instellingen met een capaciteit van honderd aanwezigen of meer, een alarmsysteem beschikbaar zijn, waarmee de aanwezigen er op een duidelijke wijze worden toe aangezet de instelling zo spoedig mogelijk te verlaten.

Artikel 162

De instelling moet met tenminste 1 toestel op het telefoonnet aangesloten zijn. In de onmiddellijke nabijheid van dit gemakkelijk te bereiken telefoontoestel zullen de telefoonnummers van de hulpdiensten aangeduid staan. Een binnenhuiscentrale moet zo uitgevoerd zijn dat het, bij om het even welke stroomonderbreking, mogelijk blijft een verbinding tot stand te brengen.

Artikel 163

Het personeel moet duidelijke instructies ontvangen hebben over de taakverdeling bij brand en over het gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen.

Artikel 164 Periodieke controle

De elektrische installatie, de noodverlichting, het materiaal voor de brandbestrijding en de verwarmingsinstallatie moeten minstens éénmaal per jaar door een erkende controle-instelling aan een nazicht worden onderworpen. De data van deze onderzoekingen en de dan verrichte vaststellingen worden in een veiligheidsregister en, wat de blustoestellen betreft, bovendien op een aan het toestel bevestigde controlekaart genoteerd.

Dit register en deze controlekaart moeten steeds ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde ambtenaren worden gehouden.

Iedere vermelding in het veiligheidsregister wordt gedateerd en ondertekend.

Artikel 165

De uitbater zal het publiek niet tot de instelling toelaten dan na zich dagelijks ervan te hebben vergewist dat aan de voorschriften van deze verordening voldaan is.

Artikel 166

De uitbater zal te allen tijde toegang verlenen aan de burgemeester en diens afgevaardigden.

Artikel 167

Bij het in gebreke blijven van de uitbater kan de burgemeester de sluiting van de instelling bevelen.

Artikel 168 Bijzondere voorschriften

De nodige maatregelen dienen genomen te worden om de brandrisico’s verbonden aan het roken, te weren. Waar het mogelijk is zal de uitbater het roken verbieden. Waar mag gerookt worden zal hij een voldoende aantal veilige asbakken ter beschikking stellen.

Artikel 169

In de voor het cliënteel toegankelijke gedeelten van de instelling mogen zonder uitdrukkelijke vergunning van de burgemeester geen keukens of soortgelijke installaties aangebracht worden.

Artikel 170 Overgangsbepalingen

De op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening bestaande instellingen beschikken over een termijn van twee jaar om de nodige aanpassingswerken uit te voeren.

Artikel 171

Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming kunnen gebouwen die:

  • hetzij als monument bij koninklijk besluit beschermd zijn
  • gelegen zijn in oude historische wijken
  • bouwelementen bevatten met een onbetwistbare historische architecturale of folkloristische waarde

van een door de burgemeester te verlenen vrijstelling genieten van de voorschriften vervat in de artikelen 145, 146 en 149. Deze vrijstellingen zijn om het behoud te verzekeren van werkelijk waardevolle elementen, zoals gevels, trappehuizen, zolderingen, vaste versieringen, daken, enz… en op uitdrukkelijke voorwaarde, dat aanvullende brandbestrijdingsmiddelen worden aangebracht overeenkomstig de eisen van de brandweerdienst, die daartoe ieder gebouw afzonderlijk inspecteert.

De vraag tot het bekomen van een afwijking moet vergezeld gaan van een gedetailleerd verslag, door de aanvrager zelf of door zijn ontwerper opgesteld, dat aangeeft waarom een afwijking noodzakelijk is.

Artikel 172

De burgemeester kan te allen tijde, na raadpleging van de officier - dienstchef van de bevoegde brandweerdienst, afwijkingen op onderhavige reglementering toestaan. Hij kan, eveneens in dezelfde voorwaarden, de sluiting van het gebouw, het lokaal of de plaats bevelen.

Brandweer Zone Kempen
Veiligheidscentrum de Marly
de Merodedreef 15
2660 Westerlo
België
014 28 78 00 of 112 (dringend)